Zouden de Brusselse gemeentebelastingen op kantoorgebouwen ongrondwettelijk zijn ?

Sinds enkele jaren hebben verschillende gemeenten van de Brusselse agglomeratie in hun lokale wetgeving een bijzondere belasting ingevoerd die verschuldigd is door eigenaars van kantoorgebouwen, al dan niet verhuurd.

Deze belasting wordt geheven in functie van het aantal m² kantoorruimte ; het bedrag van die belasting varieert naargelang de betrokken gemeenten, maar houdt over het algemeen wel een aanzienlijke last in voor de eigenaars van kantoorgebouwen, die bovendien moeilijk kan toegevoegd worden aan de lasten van de huurders, wanneer deze een huurovereenkomst hebben die al liep van voor de invoering van deze verschillende belastingen.

Elke gemeente kan deze belasting naar eigen believen definiëren en moet deze voorzien in een gemeentelijke belastingverordening die haar eigen is.

We stellen echter vast dat deze belastingen in de meeste gevallen enkel een budgettaire reden hebben en niet specifiek gerechtvaardigd worden door behoeften van algemeen nut, zoals bijkomende lasten voor de gemeentefinanciën omwille van de aanwezigheid van kantoorgebouwen op hun grondgebied.

Nochtans is dergelijke budgettaire motivering, als dat de enige is, niet voldoende, zoals reeds meerdere keren door de Raad van State werd beslist.

Volgens de Raad van State moet de gemeente de motivering die aan de vaststelling van dat soort belasting voorafgaat kunnen rechtvaardigen, met andere woorden de reden waarvoor de Gemeente kiest om specifiek de belastingplichtigen eigenaars van kantoorgebouwen wilt belasten door hen te onderscheiden van de andere belastingplichtigen van dezelfde Gemeente.

De toevoeging van een aanvullende belasting ten laste van een duidelijke categorie belastingplichtigen zorgt inderdaad voor een fiscale discriminatie die, om grondwettelijk gezien aanvaardbaar te zijn, moet gerechtvaardigd worden door objectieve en controleerbare criteria.

Deze objectieve en controleerbare criteria moeten dus terug te vinden zijn in de motivering van de belasting, namelijk in het administratief dossier die het College van Burgemeester en Schepenen toegelaten heeft zich uit te spreken over de goedkeuring van de belasting.

In vele gevallen bevat dat administratief dossier echter geen enkel element of gegeven met betrekking tot de economische rechtvaardiging van de belasting en dus tot de rechtvaardiging van het onderscheid dat gemaakt wordt door de Gemeente tussen twee categorieën van belastingplichtigen eigenaars van gebouwen op hun grond….zo is er meestal in het administratief dossier geen enkel verslag opgenomen van uitgaven, geen enkele expertise, geen enkele vermelding van bestemming van die overheidsmiddelen voor uitgaven die specifiek betrekking zouden hebben op kantoorgebouwen (en niet op andere soorten gebouwen, zoals de gebouwen voor huisvesting).

De Rechtbank van eerste aanleg van Brussel heeft zich sinds 2012 reeds meerdere keren moeten uitspreken over deze verschillende Brusselse belastingen.

Als de Belgische rechtspraak algemeen al divers lijkt, dan lijkt het echter dat de rechtspraak van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg van Brussel ertoe neigt deze te vestigen in het voordeel van de belastingplichtigen door de belastingen op kantoorgebouwen die gevestigd zijn krachtens een gemeentereglement dat niet tegemoet komt aan de motiveringseisen die hierboven vermeld worden, te verwerpen wegens willekeur.

Er zijn momenteel een aantal dossiers hangende voor de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel die binnenkort hun uitkomst zouden moeten kennen; laat ons hopen dat deze nieuwe rechtspraak, die in de volgende maanden zouden moeten genomen worden, even gunstig zal zijn als de vorige.