HomeDe AssociatieActiviteiten van het kantoorNews AgendaContact
Welk speculatief element voor de levensverzekering ?
Welk speculatief element voor de levensverzekering ?
30.07.2009 - Algemeen, Idefisc
Sinds enige tijd geeft de juridische aard van levensverzekeringsproducten aanleiding tot een controverse tussen de voorstanders van de herkwalificatie in een kapitalisatieverrichting enerzijds en de verdedigers van het verzekeringscontract anderzijds.
Het onderwerp is niet zo theoretisch als men op het eerste gezicht zou denken. Eerst en vooral geniet de levensverzekering, in vergelijking met andere financiële producten, van een bijzonder voordelig burgerrechtelijk regime. Ook de fiscale behandeling van de levensverzekering is gunstig.

Om de belastingplichtigen het voordeel van deze fiscale maatregelen te ontzeggen, stelt de administratie zeer vaak de kwalificatie als “levensverzekering” van bepaalde verzekeringsproducten in vraag.

Eén van de argumenten die de fiscus inroept, is dat de verzekeringscontracten niet enkel onderworpen zijn aan de specifieke verzekeringswetgeving (de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen et de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten), maar ook aan het Burgerlijk Wetboek en meer bepaald aan de artikelen 1104 en 1964 van dit Wetboek.

De administratie is aldus van mening dat de levensverzekeringscontracten kanscontracten zijn in de zin van de artikelen 1104 en 1964 van het Burgerlijk Wetboek, die speculatief van aard zijn in de zin van deze bepalingen, met name een kans op winst of verlies inhouden verbonden aan een onzekere gebeurtenis. Bij gebreke aan dit speculatief element, zou een verzekeringsproduct geen levensverzekering zijn, maar een beleggingscontract.

Deze analyse is niet correct.

In de definitie die de wet op de landverzekeringsovereenkomsten geeft van een levensverzekeringscontract wordt geen melding gemaakt van een speculatief element in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Volgens deze definitie is het essentieel bestanddeel van een levensverzekeringscontract het onzeker element dat verbonden is aan de duur van het menselijk leven en dat, wanneer het zich voordoet, aanleiding geeft tot de uitvoering van de verbintenissen van de verzekeraar.

De vereiste van het speculatief inzicht moet dus worden begrepen als de verwezenlijking van een onzekere gebeurtenis (en niet als een kans op winst of verlies in hoofde van de partijen).

Deze interpretatie vindt steun in meerdere argumenten, waaronder het feit dat de wet van 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten een bijzondere wet is, die dateert van na het Burgerlijk Wetboek.

In vier arresten van 23 november 2004 heeft het Franse Hof van Cassatie bevestigd dat naar Frans recht het verzekeringscontract waarvan de gevolgen afhangen van de menselijke levensduur noodzakelijkerwijze een speculatief element inhoudt en een levensverzekeringscontract is. Het Hof vereist dus niet het bestaan van een speculatief inzicht in de zin van artikel 1964 van het Burgerlijk Wetboek.

De Rechtbank van koophandel van Brussel heeft in dezelfde zin naar Belgisch recht in een vonnis van 29 november 2005 beslist dat een levensverzekeringscontract van het type tak 23 dat geen minimale overlijdensdekking voorziet, een geldig levensverzekeringscontract is.

Dit vonnis bevestigt dus de interpretatie volgens dewelke het bestaan van een kans op winst of verlies voorzien in artikel 1964 van het Burgerlijk Wetboek niet de levensverzekeringen betreft en dat het voldoende en noodzakelijk criterium voor de kwalificatie van een levensverzekeringscontract ligt in het feit dat het contract de prestatie van de verzekering ondergeschikt maakt aan het zich voordoen van een onzekere gebeurtenis die uitsluitend afhangt van de menselijke levensduur. Uit dit vonnis vloeit voort dat de geldigheid van een levensverzekering enkel en alleen bepaald wordt door de specifieke wetgeving op de landverzekeringen.

Sinds deze eerste beslissing zijn ook andere beslissingen de richting uitgegaan van de rechtspraak van het Hof van Cassatie van Frankrijk, onder het goedkeurend oog van de rechtsleer.

Dat was bijvoorbeeld het geval voor een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brugge van 4 februari 2009, en voor een arrest geveld door het Hof van beroep van Antwerpen op 3 maart 2009.

In dit fiscale arrest verwierp het Hof van beroep van Antwerpen de voorziening die ertoe strekte het levensverzekeringscontract als kanscontract te definiëren in de zin van artikel 1964 van het Burgerlijk Wetboek.

Volgens het Hof neemt deze bepaling weliswaar het verzekeringscontract als voorbeeld van een kanscontract, maar wat de verzekeringscontracten betreft, worden enkel de contracten geviseerd gesloten in het kader van het zeerecht. Deze bepaling heeft dus geen betrekking op levensverzekeringen, aangezien deze vallen onder toepassing van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringen.

De hoven en rechtbanken delen sindsdien deze mening, wat onlangs nog het geval was voor drie arresten van Hoven van beroep.

Zo heeft, naar aanleiding van haar beslissing van 24 november 2008, het Hof van beroep van Antwerpen opgeworpen dat de levensverzekering nooit viel onder de toepassing van artikel 1964 van het Burgerlijk wetboek, dat het kanscontact definieert. Deze bepaling betreft volgens het Hof enkel de zeeverzekering.

Men kan zich zowel op burgerlijk als op fiscaal vlak niet meer eensgezindheid wensen over wat moet verstaan worden onder de notie “speculatief inzicht” in het kader van levensverzekeringscontracten.

Voor een volledige unanimiteit moet enkel nog de fiscale administratie overtuigd worden, die in deze blijk geeft van een ongeziene hardnekkigheid.


Olivier NEIRYNCK

Fichiers Liés