HomeDe AssociatieActiviteiten van het kantoorNews AgendaContact
Een nieuw arrest inzake het delicate probleem van de verjaring van het gebruik van valse stukken in strafzaken
Een nieuw arrest inzake het delicate probleem van de verjaring van het gebruik van valse stukken in strafzaken
26.02.2010 - Algemeen, Fiscaal recht

Het Hof van Cassatie is al jaren de mening toegedaan dat het gebruik van valse stukken een voortdurend misdrijf is dat blijft lopen, zelfs zonder dat de dader nieuwe feiten pleegt, en dit zolang het nagestreefde doel niet volledig bereikt is en de gevolgen van de handeling in kwestie blijven voortduren zonder dat de dader er zich tegen verzet (zie meer bepaald Cass. 7 februari 2007, Pas. II, n°72).

Deze rechtspraak is bij velen in slechte aarde gevallen, aangezien ze erop neerkomt dat de verjaring niet kan beginnen lopen. Volgens het standpunt van het Hof van Cassatie kan de verjaringstermijn inderdaad pas een aanvang nemen vanaf het ogenblik waarop de dader veroordeeld is, of van zodra een definitieve beslissing wordt geveld over de fiscale zaak in het kader waarvan de valse stukken gebruikt zijn. Sterker nog: de rechten van de verdediging komen ernstig in het gedrang wanneer de belastingplichtige onmogelijk kan voorhouden dat het document waarvan de valsheid wordt aangevoerd niet vals is, omdat hij op dat ogenblik opnieuw gebruik maakt van valse stukken en dit louter omdat hij beweert dat het stuk niet vals maar integendeel echt is!

Deze kafkaiaanse toestand leidde ertoe dat het Hof van Beroep van Gent een prejudiciële vraag stelde aan het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid van de artikelen 73bis van het Wetboek btw en artikel 450 van het Wetboek Inkomstenbelastingen, met artikel 12 van de Grondwet. De belastingplichtigen beweerden immers in deze zaak dat het legaliteitsbeginsel in strafzaken geschonden was, volgens hetwelk iedereen precies moet weten op welke grond een bepaalde handeling hem strafrechtelijk wordt aangerekend.

Het Grondwettelijk Hof heeft dit standpunt logischerwijze verworpen en was de mening toegedaan dat er geen onverenigbaarheid is tussen het grondwettelijk legaliteitsbeginsel in strafzaken: het is niet omdat het vertrekpunt van de verjaringstermijn niet gekend is of moeilijk kan bepaald worden, dat een persoon niet op de hoogte zou zijn van het feit dat hij vervolgd kan worden.

Het Grondwettelijk Hof heeft zich hiermee echter niet zonder meer achter de rechtspraak van het Hof van Cassatie geschaard, wat trouwens buiten haar bevoegdheid zou vallen. Het is daarenboven niet zeker dat de interpretatie die het Hof van Cassatie geeft aan het begrip gebruik van valse stukken, en de quasi onverjaarbaarheid die daaruit voortvloeit, in de toekomst niet door het Grondwettelijk Hof zal worden veroordeeld op andere gronden.

Zoals de werkgroep opgericht door de Staatssecretaris voor fiscale fraude om het charter van de belastingplichtige te beoordelen voorstelde, zou de beste oplossing erin bestaan dat de wetgever tussenkomt en bepaalt dat het gebruik van valse stukken een aflopend misdrijf is en niet langer, zoals het Hof van Cassatie meent, een voortdurend, dat blijft lopen zonder dat de beklaagde ook maar iets onderneemt.

Ronny FAVEL

Fichiers Liés