Categorie: Nieuws

De aangekondigde hervorming van de vennootschapsbelasting betekent het einde van het « holding » regime in België.

Bij het begin van de zomer had de regering het reeds aangekondigd, zij is van plan de vennootschapsbelasting te verlagen.
Het doel is om het nominale belastingtarief van 33,99% te verlagen naar 20%, dit vanaf 2018.

A priori is de bedoeling lovenswaardig, aangezien ze lijkt te zorgen voor een verlichting van de fiscale last. Door haar belastingtarief te verlagen tot de vennootschapsbelasting, zou België immers de groep verlaten van Europese landen die de bedrijven het meest belasten om zich gelijk te stellen met het « Europese gemiddelde ». Hierover valt niks te zeggen. Deze maatregel past duidelijk in de maatregelen die de federale overheid wenst door te voeren om de competitiviteit en de jobcreatie te stimuleren, aangezien ze zich vooral richt op de KMO’s, het favoriete onderwerp van de regering Michel.

Als we het echter het «plan » dat de Minister van Financiën voorstelt van naderbij bekijken, dan begrijpen we redelijk snel dat dit voordeel dat aan de meeste KMO’s wordt toegekend, snel een « vergiftigd geschenk » zou kunnen blijken dat opgelegd wordt aan holdings die in België gevestigd zijn.

De verlaging van het belastingtarief zal progressief zijn ; het zal van 33,99% naar 28% verlaagd worden in 2017, naar 24% in 2018 en ten slotte naar 20% in 2019. De « kleine bedrijven » die vanaf heden van het verlaagde belastingtarief van 24,98% genieten, zullen een voorkeurtarief van 22% genieten vanaf 2017, van toepassing op de eerste 50.000 EUR, die daarna zal verlaagd worden naar 20% vanaf 2018.

De « meest in het oog springende maatregel » van de hervorming zal gepaard gaan met bijkomende maatregelen, die ook belangrijk zijn, zoals de invoering van stimulerende maatregelen voor start-ups (geen onderwerping van hun winsten aan vennootschapsbelasting gedurende de eerste 5 jaar van hun bestaan, onder voorwaarde dat deze gecumuleerde reserves geïnvesteerd worden in activa voor de onderneming, of in de aanwerving van bijkomend personeel) of nog de schrapping van de zoveel gevraagde « fairness tax » op de dividenden die uitgekeerd worden door Belgische bedrijven die weinig belastingen betalen.

Deze verlaging zal uiteraard moeten gefinancierd worden. En het is hierdoor dat de voorgestelde wijzigingen dreigen zwaar te wegen voor vele bedrijven van het type « holding », die de facto, door de invoering van de wijziging die als gunstig wordt voorgesteld, het voorwerp zullen zijn van een verhoging van de fiscale last die op hen rust.

Het is inderdaad zo dat de meeste Belgische holdings genieten van 2 specifieke maatregelen uit de Belgische wetgeving die hen toelaat de fiscale last die gebonden is aan de inkomsten die ze halen uit hun financiële participaties te verlagen : het mechanisme van « definitief belaste inkomsten » en de (gedeeltelijke) vrijstelling van de waardevermeerderingen die op aandelen gerealiseerd wordt.
Krachtens het DBI-mechanisme worden de dividenden uit de financiële participaties die een holding bezit, slechts voor 5% opgenomen in hun belastbare grondslag voor de vennootschapsbelasting (onder bepaalde voorwaarden verbonden aan de waarde, het bedrag en de duur van het bezit van de participatie). De facto zijn de dividenden van filialen belast aan een tarief van 1,7%. Indien het filiaal gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Unie, zullen de dividenden ook genieten van een verlaging van de inhouding die « aan de bron » wordt uitgevoerd. Het plan dat door de Minister van Financiën werd toegelicht, voorziet om dit voordeel voortaan te beperken (één miljoen + 60% van het bedrag dat het miljoen overschrijdt).

Wat betreft de waardevermeerderingen die gerealiseerd worden op aandelen van filialen, deze zijn momenteel vrijgesteld (voor zover dat de dividenden van de betrokken aandelen van het mechanisme genaamd « DBI » kunnen genieten, met voorbehoud van 2 uitzonderingen : de waardevermeerderingen gerealiseerd op korte termijn (12 maanden) en de waardevermeerderingen gerealiseerd door « grote ondernemingen » (belast aan 0,4%). De hervorming van de vennootschapsbelasting vereist een harmonisatie van het belastingsysteem van waardevermeerderingen op aandelen, die uiteindelijk aan het algemeen tarief van 20% zullen onderworpen zijn. Daarentegen zal het principe van de belasting van waardevermeerderingen die op korte termijn gerealiseerd worden, vanaf 2018 verdwijnen.

Deze wijzigingen zullen bovendien gepaard gaan met een volledige schrapping van het mechanisme van de « notionele interesten » (die, zoals reeds gezegd, als doel hadden om de investering in risicokapitaal op het eigen vermogen aan te moedigen, teneinde de financiering van KMO’s op een andere manier mogelijk te maken dan via lening), van de « excess profit rulings » praktijk (wat naar de zin zou moeten zijn van de Europese autoriteiten) en de aftrek voor investeringen (te rekenen vanaf 2019).

Bovendien zullen andere types van belangrijke belastingaftrek verlaagd worden, meer bepaald, de praktijk van afschrijvingen, dat herzien zal worden teneinde de mogelijkheid uit te sluiten om fiscaal aftrekbare degressieve afschrijvingen uit te voeren, en nog, de overdraagbaarheid van verrekenbare verliezen van vorige boekjaren dat beperkt zal worden in bedrag (naar het voorbeeld van Luxemburg dat zonet haar stelsel van aftrekbaarheid van fiscaal aftrekbare verliezen heeft herbekeken door ze te beperken in tijd, zoals dit ook in het Belgische recht was opgenomen tot in 1995).

Deze keer hebben we het over een verhoging, deze van de sancties die zullen opgelegd worden aan bedrijven die hun fiscale aangifte niet neerleggen, en die verhoogd worden : de bedrijven die in gebreke blijven zullen voortaan op een forfaitaire belastinggrondslag belast worden (minimum belastbaar) van 40.000 EUR, en niet meer van 19.000 EUR zoals dit nu het geval is. Dit vanaf 2017.

Ten slotte, een laatste wijziging, maar daarom niet minder belangrijk, zal betrekking hebben op de fiscaliteit gebonden aan de toekenning van winsten die uitgekeerd worden door de bedrijven aan hun aandeelhouders, gezien de hervorming een nieuwe verhoging van het tarief van de roerende voorheffing vereist om hem te brengen van 27% (tarief van toepassing sinds de laatste wijziging die in 2016 van kracht werd) op 30%…
De aandeelhouder zal zijn fiscale situatie niet enkel verzwaard zien bij de uitdeling van de winsten van de vennootschap, maar hij zal bovendien ook belast worden op de waardevermeerderingen die hij, in voorkomend geval, gerealiseerd heeft bij de doorverkoop van zijn maatschappelijke titels, indien hij een « aanzienlijk belang » heeft in het betrokken bedrijf.

Voldoende om bedrijven te weerhouden om in de toekomst te investeren in de oprichting van nieuwe bedrijven, zelfs om er een beroepsactiviteit in onder te brengen….te meer daar er in het hervormingsplan een maatregel zal opgenomen zijn die erop gericht is te strijden tegen het « misbruik » van bedrijven, met enkel fiscale motieven.

Het is manifest, deze wijzigingen zouden een ernstige impact moeten hebben op de beslissing van vele holdings om de zetel van hun activiteiten in België te behouden, of zelfs gewoon om hun activiteiten in België te behouden. Het is inderdaad duidelijk dat de aangekondigde maatregelen zullen leiden tot een verhoging van de fiscale last die op vandaag op de bedrijven rust.

Naast de bedrijven van het type « holding » zullen de KMO’s ook zonder uitstel een « fiscale audit » van hun situatie moeten doen, teneinde met precisie te bepalen wat het effect is van de nieuwe maatregelen op hun fiscale last, en ten slotte, de staat van hun kassituatie. In voorkomend geval zullen ze ervoor moeten zorgen dat ze hun gedragingen aanpassen teneinde de toekomstige wijzigingen te anticiperen.

Iedere wil om het herstructureren zal met zorg moeten bestudeerd worden teneinde er de fiscale gevolgen van te onderzoeken, maar ook om de compatibiliteit van de beoogde wijzigingen met de nieuwe BEPS normen die door de OESO werden ontwikkeld, die erop gericht zijn de internationale dimensie van vele relaties tussen de lidstaten te omkaderen (door een effectieve belasting op te leggen aan alle ondernemingen daar waar ze hun winsten maken en de totale fiscale transparantie, en tegelijkertijd het risico op effectieve dubbele belasting te bestrijden), waarmee men in de toekomst ook zal moeten rekening houden.

We blijven uiteraard op onze hoede voor de toekomstige ontwikkelingen van het aangekondigde hervormingsplan van de vennootschapsbelasting … wees er ondertussen maar zeker van dat de gewenste « verlaging » van het nominale belastingtarief in realiteit voor de meeste bedrijven zal gepaard gaan met een « verhoging » van de belastinggrondslag, wat uiteindelijk niet zal leiden tot een effectieve vermindering van de fiscale last.

Met het van kracht worden van de Wet van 21 juli 2016 « betreffende de invoering van een permanent systeem van fiscale en sociale regularisatie » is de procedure « EBAquater » van kracht, maar haar contouren blijven onduidelijk.

De wet die de nieuwe procedure van fiscale regularisatie invoert, werd – eindelijk – goedgekeurd en bekendgemaakt en is sinds 1 augustus 2016 van kracht.

We herinneren ons dat het wetsontwerp het voorwerp was van discussies tussen de federale regering en de gewestelijke regeringen. Sinds 2015 werden immers een aantal materies rond de inkomstenbelasting en de volledige materie rond successierechten geregionaliseerd. Hierdoor meende de Raad van State in haar eerste adviezen dat de gewestelijke regeringen bij de discussie rond het wetsontwerp betreffende de invoering van een nieuwe procedure van fiscale regularisatie zouden moeten betrokken worden, althans voor wat betreft de aspecten van het project met betrekking tot de belastingen die onder de bevoegdheden van de gewesten vallen.

Ook al werd deze wet nu gestemd, toch zijn deze « bevoegdheidsproblemen » niet volledig verdwenen. We vinden een « begin van een oplossing » onder artikel 18 van de nieuwe wet dat zegt dat « De regularisatie van een gewestelijke belasting waarvoor de federale overheid de dienst verzekert, slechts mogelijk is wanneer er met het betrokken gewest een samenwerkingsakkoord werd afgesloten ». We weten dat het Waalse Gewest, en ook het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tegen de nieuwe regularisatiemaatregel zijn, vooral omwille van zijn permanent karakter (dit ondanks het feit dat de kost voor de invoering van dergelijke regularisatie met de tijd hoger wordt). Daarentegen staat het Vlaamse Gewest er niet weigerachtig tegenover.

Er is nog geen enkel regionaal akkoord tussen de federale overheden en de Waalse en Brusselse gewestelijke overheden gepland. Er werd nog geen enkel akkoord met het Vlaamse Gewest afgesloten. In dit stadium kan men dus nog niet overgaan tot een regularisatie van de niet-verjaarde successierechten. De mogelijkheid zal dus beperkt worden tot de regularisatie van de inkomstenbelasting, of de BTW, die in het verleden werd(en) ontdoken.

Indien een « berouwvolle » belastingplichtige, die geen probleem van fiscaal niet-verjaarde successierechten heeft, een procedure voor fiscale regularisatie wenst te starten zoals voorgeschreven door de wet van 21 juli 2016, dan nog zal hij een consensus moeten bereiken over de omvang van deze regularisatie en haar kost.

Logischerwijze zullen, in de meeste feitelijke situaties, de verworven en niet-belaste inkomsten van de laatste 7 jaar (wat overeenkomst met de uitgebreide belastingtermijn die van toepassing is bij niet-aangegeven inkomsten) moeten geregulariseerd worden. Het spreekt voor zich dat deze inkomsten zullen moeten geregulariseerd worden of ze nu rechtstreeks werden verworven of via wat we op vandaag « een juridische constructie » noemen (of het nu om een trust gaat of een soort off shore vennootschap).

De aard van de verworven en niet-aangegeven inkomsten zal de kost van de regularisatie bepalen.

Indien het gaat om roerende inkomsten uit het buitenland, dan zullen deze onderworpen worden aan een afzonderlijk belastingtarief dat aan de bron van toepassing is (in de veronderstelling van een spontane aangifte in de belastingaangifte voor het betrokken inkomstenjaar), zijnde 15%, 21% of 25%, afhankelijk van geval, voor de interesten en 25% voor de dividenden. Dit tarief zal verhoogd worden met een boete, die oploopt tot 20 punten voor een procedure die in 2016 werd gestart. Ofwel dus een gemiddeld tarief dat van toepassing is op inkomsten uit het buitenland van 45%.

Indien de procedure later wordt gestart, zal het belastingtarief onveranderd blijven (behalve voor het inkomstenjaar 2016, waarvoor het tarief werd vastgesteld op 27%), maar de boete zal hoger zijn : 22 punten in 2017, 23 punten in 2018, 24 punten in 2019 en 25 punten vanaf 2020.

Er zal geen enkele vorm van aftrek mogelijk zijn, zodat de inkomsten die moeten geregulariseerd worden de bruto-inkomsten lijken te zijn. Dit kan ons verbazen : de personenbelasting wordt inderdaad in principe geheven op de nettobedragen die overeenkomen met 4 inkomstencategorieën (de onroerende inkomsten, de roerende inkomsten, de beroepsinkomsten en diverse inkomsten). Het zou dus wettelijk moeten lijken om in het kader van een fiscale regularisatie, de elementen in mindering te brengen die aftrekbaar zouden zijn wanneer er een spontane aangifte is.

Indien de belastingplichtige niet-aangegeven beroepsinkomsten heeft ontvangen, zullen deze onderworpen worden aan een belastingtarief dat progressief is per schijf van de personenbelasting, vermeerderd met 20 punten, voor een procedure die gestart is in 2016 (22 punten in 2017, 23 punten in 2018, 24 punten in 2019 en 25 punten vanaf 2020). Ook de aanvullende gemeentebelasting, de agglomeratiebelasting (Brussel) en de aanvullende crisisbelasting zullen er op worden toegepast.

We kunnen op dezelfde manier redeneren als er niet-aangegeven onroerende inkomsten uit het buitenland of diverse inkomsten zijn. De procedure houdt in dat het normale belastingstelsel op deze inkomsten wordt toegepast, vermeerderd met een boete die jaar na jaar hoger wordt.

Wat de behandeling van « fiscaal verjaarde kapitalen » betreft, hierover stelde men zich vragen waarop tijdens de laatste discussies die aan de vaststelling van de wettekst voorafgingen, nog geen antwoorden werden gevonden, integendeel.

De tekst voorzien voortaan, in haar artikel 11, dat :
« De aangever moet in zijn aangifte aan de hand van schriftelijk bewijs, desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, aantonen dat de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen hun normale belastingregime hebben ondergaan.

Onder voorbehoud van het 3e en het 4e lid moeten de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen, of het gedeelte ervan waarvan de aangever niet kan aantonen dat ze hun normale belastingregime hebben ondergaan op de wijze bedoeld in het eerste lid, worden geregulariseerd».

Hieruit kan afgeleid worden dat indien de aangever de oorsprong van zijn kapitaal niet kan aantonen, en het feit dat dit kapitaal aan haar belastingregime werd onderworpen, dan moet dit kapitaal onderworpen worden aan een heffing van 36% ( in 2016 ; 37% in 2017, 38% in 2018, 39% in 2019 en 40% vanaf 2020).

Welke bewijzen zal hij moeten voorleggen ? De wettekst is hierover niet zo duidelijk, ook niet voor wat betreft de zekerheid die moet aangetoond worden. In het Verslag aan de Koning die aan de nieuwe tekst vooraf gaat, vinden we echter een weerspiegeling terug van wat zonder twijfel het standpunt van de belastingadministratie zal zijn over de beschikbare bewijzen :
« Een voorbeeld ter verduidelijking: in 2000 erft een kind een bedrag van zijn vader. De erfgenaam betaalt, zoals het hoort, de successierechten en levert hier nu het schriftelijk bewijs van. Daarna investeerde hij het geërfde bedrag in Luxemburg. De roerende inkomsten werden daarna niet aangegeven. Wat hem betreft, is het kapitaal niet gecontamineerd, maar de inkomsten die daaruit voortvloeien, zijn dat daarentegen wel. De kapitalisatie van de roerende inkomsten heeft ervoor gezorgd dat het kapitaal dat initieel wit was over de jaren heen grijs is geworden. De erfgenaam moet nu de juiste kleur van het kapitaal voor de kapitalisatie gaan bepalen met schriftelijke bewijzen. Als hij dat niet kan, dan zal het kapitaal beschouwd worden als zijnde volledig gecontamineerd en dan zal dit ook moeten geregulariseerd worden. De bewijslast en het risico dat de kleur die tot de regularisatie van de inkomsten, kapitalen en BTW-handelingen kan leiden, niet kan bewezen worden, kan niet bij de overheid worden gelegd ».

Het kapitaal dat men bezit via « juridische constructies » of via « levensverzekeringen » leidt tot een heffing op het kapitaal. Dit wordt uitdrukkelijk in de tekst voorzien.

Over welk kapitaal gaat het? Men kan denken dat het in 2016 gaat over kapitaal dat reeds bestond voor 31 december 2008, aangezien dat de onderzoeksbevoegdheid van de belastingadministratie op die datum stopt (fiscaal niet-« verjaarde » periode).

Maar sinds haar laatste aanpassing voorziet de tekst voortaan dat :

« De in het tweede lid bedoelde bedragen slechts geregulariseerd worden voor zover de aangever aan de hand van een schriftelijk bewijs, zo nodig aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, de aard van de belasting aantoont alsook de belastingcategorie en het tijdperk waartoe de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen die niet hun normale belastingregime hebben ondergaan, behoren».

Deze alinea, waarop nog geen commentaar werd gegeven, lijkt te zeggen dat als de aangever op het fiscaal verjaarde kapitaal wenst belast te worden, dat dit enkel mogelijk zal zijn nadat hij met een schriftelijk bewijs heeft aangetoond welk soort « fraude » hij heeft gepleegd (bijvoorbeeld, bewijzen dat het om beroepsinkomsten gaat die hij in het verleden heeft verworven en die niet werden aangegeven terwijl dit weldegelijk moest).

Deze beperking heeft niet veel zin wanneer de wetgeving preciseert dat diegene die de belastbare of niet-belastbare oorsprong van zijn kapitaal niet kan bewijzen, deze moet regulariseren …

Betekent dit dat de regularisatie hierdoor puur en simpel zou geweigerd worden aan de belastingplichtige, indien hij, nadat werd vastgesteld dat hij zijn kapitaal dient de regulariseren, omdat hij bijvoorbeeld geen bewijzen van oorsprong van de fondsen of van hun al dan niet belastbare aard meer heeft, enkel de precieze oorsprong van de vermeende « fraude » niet meer zou kunnen bewijzen ?

We moeten deze nieuwe vereiste ongetwijfeld lezen vanuit het oogpunt van de laatste alinea van artikel 11 van de nieuwe wet die zegt dat :

« De met toepassing van het derde lid geregulariseerde bedragen worden enkel geregulariseerd voor de federale belastingen en de gewestelijke belastingen waarvoor de federale overheid de dienst verzekert en waarvoor een in artikel 18 bedoelde samenwerkingsakkoord is afgesloten».

De auteurs van het amendement zullen waarschijnlijk willen vermijden hebben dat een persoon die zijn kapitaal haalt uit een niet-aangegeven fiscaal verjaarde erfenis, aanvaardt om zijn kapitaal op grond van de personenbelasting te regulariseren door « eenvoudigweg » en zonder enige andere uitleg, de heffing van 36% toe te passen op een « belastinggrondslag » die per 31 december 2008 werd vastgelegd (hypothetisch, procedure gestart in 2016).

Maar als dit echt de bedoeling is van de wetgever, dan kan men toch ernstig twijfelen over de efficiëntie van de maatregel, aangezien dat deze « erfrechtelijke » oorsprong van het kapitaal in veel van die gevallen aanwezig is.

De wet regelt ook de regularisatie inzake BTW en sociale bijdragen.

Behoudens de regularisatie van de inkomsten en van de fiscaal verjaarde kapitalen, zal aan de aangever mits enkele voorwaarden en onder voorbehoud van enkele uitzonderingen (artikel 10 van de nieuwe wet) een strafrechtelijke immuniteit kunnen toegekend worden, die de fiscale immuniteit die verbonden is aan de regularisatie, zal komen aanvullen.

We moeten hieromtrent herhalen dat indien er geen regularisatie van « de fiscaal verjaarde kapitalen » is, dat er voor deze kapitalen geen enkele strafrechtelijke immuniteit aan de aangever zal kunnen toegekend worden en elke Belgische bank waarschijnlijk een risico op witwassen zal inroepen (art. 505 van het Strafwetboek) teneinde te weigeren om de fondsen die in het buitenland bestaan en gehouden worden, te storten (behalve de hypothese van fiscaal « verjaarde » kapitalen die wettelijk werden gestort en vrijgesteld werden van elke belasting).

De procedure zal in het bijzonder ondoeltreffend zijn wanneer, voor de indiening van de aangifteregularisatie, de aangever schriftelijk op de hoogte werd gebracht van specifieke onderzoeksdaden die door een Belgische juridische instantie, door een Belgisch belastingadministratie, een sociaal zekerheidsdienst of een Belgische dienst van de sociale inspectie of de FOD Economie worden gesteld. Bijgevolg zullen een voorafgaande fiscale procedure (in principe nochtans op inkomsten van dezelfde aard dan deze onderworpen aan de regularisatie) of repressieve procedure niet meer nuttig zijn voor de regularisatieprocedure die de aangever zou willen opstarten!

De langverwachte, en onophoudelijk aangekondigde, nieuwe wetgeving die een fiscale regularisatieprocedure invoert, blijft over sommige zaken vaag en spreekt zich op sommige punten zelfs tegen.

We kunnen bijgevolg dus enkel aan iedere belastingplichtige die erop beroep zou willen doen, aanraden om, samen met zijn raadsman, de betrokken feitelijke situatie te onderzoeken, teneinde de omvang van de op te starten procedure te evalueren en vooraf te nuttige stukken en hun beschikbaarheid te bepalen, in functie van het nagestreefde resultaat (hieromtrent herhalen we dat, indien een ingediend dossier daarna kan vervolledigd worden, dit niet ongelimiteerd kan, maar slechts gedurende een termijn van 6 maanden na de neerlegging van de regularisatie-aangifte).

Ten slotte moeten we niet vergeten, in elke omstandigheid, de situatie van de belastingplichtige te anticiperen zoals die zal zijn na de opstart van de regularisatieprocedure, vanuit het oogpunt van de nieuwe bepalingen die in het Belgisch fiscaal recht werden ingevoerd, zoals de « Kaaimantaks », bijvoorbeeld, zelfs de toekomstige regels m.b.t. « CFC » of nog vanuit het oogpunt van de « beschikbare » informatie uit de algemene informatie-uitwisseling tussen belastingadministraties van verschillende landen….

De EBA QUATER eindelijk gepubliceerd

Ze werd sinds enkele maanden aangekondigd, de wet tot invoering van een permanent systeem van fiscale en sociale regularisatie werd eindelijk gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 29 juli 2016.

Het initiatief is niet nieuw: sinds het succes van de eerste “eenmalige bevrijdende aangifte” die bij wet van 31 december 2003 werd ingevoerd, hebben de opeenvolgende regeringen de mogelijkheden uitgebreid die aan de Belgische belastingbetalers worden aangeboden om de belastbare inkomsten te regulariseren die zij hadden nagelaten aan te geven aan de fiscus.

In 2005 werd de EBA bis uitgebracht en in 2013, de EBA ter die ook een nieuwe procedure voorzag voor de regularisatie van de sociale bijdragen voor de beroepsinkomsten van zelfstandigen. Deze liep officieel ten einde op 31 december 2013.

Deze opeenvolgende stelsels van spontane aangiftes hebben telkens weer een groot succes gekend.

Niettemin wensten vele belastingplichtigen, die hun fiscale situatie niet wilden of niet konden regulariseren, de goedkeuring van een nieuwe EBA.

De intensivering van de informatie-uitwisselingen, die op 1 januari 2017 in vele gevallen automatisch zullen gebeuren, alsook het van kracht worden van de nieuwe wet die de Kaaimantaks invoert, zorgden voor belangrijke stimulansen.

De nieuwe wet van 21 juli 2016 betreffende de invoering van een permanent systeem van fiscale en sociale regularisatie (I) biedt aan deze belastingplichtigen deze mogelijkheid aan.

Als de regularisatie wordt doorgevoerd conform de voorwaarden die bij wet worden opgelegd, brengt ze strafrechtelijke amnestie met zich mee die de belastingplichtige kan beschermen tegen de risico’s van strafrechtelijke vervolging wegens belastingontduiking of witwassen wanneer de inkomsten en geregulariseerde sommen niet afkomstig zijn van een misdrijf of een ander misdrijf dan fiscaal.

De EBA quater richt zich, zoals de EBA BIS en TER, zowel tot natuurlijke personen als tot rechtspersonen die inwoners zijn of die aan de belasting van niet-inwoners onderworpen zijn.

Ze maakt het mogelijk om alle inkomsten naar welke in het Wetboek van inkomstenbelastingen wordt verwezen, te regulariseren (beroeps-, roerende, onroerende en diverse inkomsten), met inbegrip van de inkomsten beoogd door de Kaaimantaks die sinds 1 januari van kracht is, alsook de sommen en waarden onderworpen aan de registratierechten, voor zover het niet om een geregionaliseerde materie gaat. Wat betreft de regionale belastingen zal een regularisatie slechts mogelijk zijn als er een samenwerkingsakkoord werd afgesloten met de Gewesten ( wat op vandaag niet het geval is voor de successierechten).

De wet heeft ook betrekking op de « geregulariseerde BTW-handelingen », zijnde, alle handelingen die conform artikel 51 van het BTW wetboek onderworpen zijn aan het toepassingsveld van de BTW in België.

Ten slotte voorziet de wet ook de regularisatie van de fiscaal verjaarde kapitalen, met andere woorden, de kapitalen ten aanzien van dewelke de fiscus volgens de normale procedure, geen heffingsbevoegdheid meer kan uitoefenen omdat de termijn verstreken is.

Een logisch gevolg van deze regularisatie is dat de belastingplichtige de ontdoken belasting zal moeten betalen. Het gaat dus over de belasting die zou verschuldigd geweest zijn als de inkomsten correct waren aangegeven, ofwel het tarief dat van toepassing was op de datum van heffing.

Aan deze belasting wordt met tijd een progressieve boete toegevoegd. Voor de geregulariseerde inkomsten in 2016 zal de verhoging 20 percentpunten bedragen.

De verjaarde kapitalen, of ze nu op een bankrekening staan, in een juridische constructie zitten of in een levensverzekering, zullen onderworpen zijn aan een heffing van 36 percentpunten op het kapitaal. Van 1 januari 2017 zal dit tarief zal elk jaar stijgen met 1 punt.

Deze heffing zal kunnen vermeden worden als de belastingplichtige kan aantonen – mits een schriftelijk bewijs in voorkomend geval aangevuld met andere bewijsmiddelen uit het gemeen recht, met uitzondering van een verklaring onder ede en getuigenverklaring – dat deze kapitalen afkomstig zijn van inkomsten die indertijd reeds onderworpen zijn aan het belastingregime dat wettelijk van toepassing was. De kapitalen die reeds werden belast, niet belastbaar waren of vrijgesteld werden, vallen dus buiten het toepassingsveld van de wet.

Op procedureel niveau voorziet de wet de creatie van een nieuw Contactpunt die zal dienen voor het ontvangen van aangifteformulieren – waarvan het model binnenkort zal vastgelegd worden bij koninklijk besluit- en voor het behandelen van aanvragen.

Op het einde van de procedure zal de belastingplichtige een regularisatieattest ontvangen.

De wet wordt van kracht deze maandag 1 augustus 2016.

De belastingplichtige kan slechts één keer op deze procedure beroep doen. Diegene die zijn inkomsten of verdoezelde sommen wenst te regulariseren, heeft dus maar één kans om ze allemaal te regulariseren.

We kunnen de belastingplichtigen die hun fiscale situatie wensen te regulariseren dus alleen maar aanraden om tijdig advies in te winnen bij een beroepsbeoefenaar, die hen kan adviseren en begeleiden bij het inleiden van dergelijke procedure.

De electriciteitskosten van uw zaakvoerder betalen: is dit nog steeds een aftrekbaar voordeel in natura?

In de praktijk komen we vaak de situatie tegen waarin bedrijven de huur, de internetverbinding, de wagen of nog de verwarmings- en electriciteitskosten van de privéwoning van hun bestuurders betalen.
In principe gaat het hier om een aftrekbare uitgave in hoofde van het bedrijf en een belastbare vergoeding, als voordeel in natura, in hoofde van de zaakvoerder.
Teneinde de berekeningen te vergemakkelijken, heeft de wetgever een volledige lijst opgesteld van voordelen alle aard die het voorwerp uitmaken van een forfaitaire waardering. Deze waardering moet toegepast worden, wat ook de reële kosten zijn die door het bedrijf dat ze heeft toegekend, gedragen worden.

Dergelijk forfait is onder meer voorzien voor het ten laste nemen door een bedrijf van de verwarmings- en electriciteitskosten van haar bestuurder.

Deze oplossing is over het algemeen voordelig voor beide partijen: op die manier verlaagt het bedrijf haar belastbare grondslag en ziet de zaakvoerder zich, over het algemeen, belast worden op basis van een forfait dat voordeliger is dan wanneer hij een bedrag zou ontvangen die gelijk is aan de gemaakte kosten en dat hem wordt terugbetaald op grond van een “klassieke” vergoeding.

De rechtbank van eerste aanleg van Namen zet dit evenwicht echter opnieuw ter discussie.
In het geval dat aan de rechtbank werd voorgelegd, had een bedrijf de energiefacturen voor de privéwoning van haar zaakvoerster betaald.
Hoewel dit voordeel in natura werd vermeld op de fiches en de samenvattende opgaves van vergoeding zoals vereist door het Wetboek van inkomstenbelastingen (artikel 57), had de administratie het recht op aftrek in hoofde van het bedrijf geweigerd.
Volgens de administratie was er niets dat toeliet om te oordelen dat de bedragen die door het bedrijf in plaats van de zaakvoerster betaald werden effectieve prestaties vergoedden die door haar werden geleverd in het kader van de activiteit van het bedrijf.
De administratie leidt daaruit af dat in dit geval niet aan de voorwaarden voor de aftrek van beroepskosten, zoals voorgeschreven in artikel 49 WIB, werd voldaan.
De rechtbank heeft de analyse van de administratie gevolgd.
Opdat de kosten die door een bedrijf worden gedragen met het oog op het toekennen van een voordeel alle aard aan zijn bestuurders, aftrekbaar zouden zijn, moeten deze volgens de rechtbank toegekend worden als vergoeding voor de uitoefening van een activiteit binnen het bedrijf, wat in dit geval niet zo was.
De rechtbank volgt dezelfde redenering voor de aftrekbaarheid van architectenkosten die gemaakt worden in het kader van de bouw van een bibliotheek in de privéwoning van de zaakvoerster.
Dit is een zeer verrassende beslissing.
Zoals gezegd zijn de voordelen alle aard belastbaar in hoofde van de begunstigde op voorwaarde dat deze een activiteit uitoefent (werknemer, bestuurder, …).

Bovendien is het niet duidelijk voor welke andere reden dan de vergoeding van de door haar zaakvoerster uitgevoerde prestaties, het bedrijf deze kosten zou ten laste genomen hebben.

Bij ons weten blijft deze rechtspraak geïsoleerd. Niettemin bestaat het gevaar dat deze in de toekomst door de administratie zal ingeroepen worden om gelijkaardige kosten waarvoor belastingplichtigen de aftrek zouden kunnen vragen, te verwerpen.
Teneinde niet in moeilijkheden te geraken, kunnen we aan de belastingplichtigen aanraden om duidelijk te zijn in de omschrijving van de vergoeding die aan de zaakvoerder wordt toegekend. Zo zou er naar behoren kunnen bepaald worden dat de zaakvoerder deels contant wordt vergoed en deels met een voordeel in natura.

Voorafgaande kennisgeving van aanwijzingen van belastingontduiking in geval van onderzoek wie de persoon ook is bij wie de onderzoekingen moeten uitgevoerd worden

Voor wat betreft de inkomstenbelastingen beschikt de administratie over uitgebreide bevoegdheden die haar toelaten onderzoeksdaden te stellen teneinde de verschuldigde belasting aan te tonen.

De onderzoekingen die worden uitgevoerd tijdens het belastbaar tijdperk en tijdens de aanslagtermijn van drie jaar die voorzien is in artikel 354, al. 1 van het WIB92, moeten niet het voorwerp uitmaken van een voorafgaande kennisgeving.

De administratie beschikt tevens over een recht van onderzoek tijdens de aanvullende aanslagtermijn van vier jaar die van toepassing is in geval van fraude, maar dit enkel op voorwaarde dat “de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk” (art. 333, al.3 van het WIB92). Deze voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de belasting die wordt geheven naar aanleiding van deze onderzoekingen.

Bijgevolg moet de administratie, wanneer zij van plan is om onderzoekingen uit te voeren tijdens de buitengewone termijn, aan twee voorwaarden voldoen, zijnde:

1. Beschikken over aanwijzingen van belastingontduiking ten aanzien van de belastingplichtige;
2. De belastingplichtige informeren over het bestaan van deze aanwijzingen.

Uit de (zeer kritische) rechtspraak van het Hof van Cassatie bleek dat de schriftelijke en nauwkeurige voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige van aanwijzingen van belastingontduiking die betrekking hadden op hem, enkel gericht was op de onderzoekingen ten aanzien van de belastingplichtige zelf; deze kennisgeving was niet vereist indien de administratie over elementen beschikte die haar toeliet de belasting te heffen zonder bij de belastingplichtige zelf een onderzoek te moeten uitvoeren (Cass., 14 oktober 1999 en Cass., 18 november 2010).

Verandering
In een arrest van 12 februari 2016 oordeelde het Hof van Cassatie dat de onderzoekingen die bedoeld worden in artikel 333, al. 3, van het WIB92 (en dus een voorafgaande kennisgeving vereisen) “deze zijn die voor de belastingplichtige, de derde of de overheidsdienst, -instelling of -instantie waar ze worden uitgevoerd, de verplichting inhouden om, op vraag van de administratie, de boeken, documenten of inlichtingen over te maken, dit conform de bepalingen van hoofdstuk III van boek VII van dat wetboek”.

Uit dat arrest konden we dus al een uitbreiding afleiden van het toepassingsveld van de verplichting van voorafgaande kennisgeving.

Voorafgaande kennisgeving van aanwijzingen van belastingontduiking zelfs in geval van onderzoekingen bij een derde
In haar arrest van 20 mei 2016 neemt het Hof een radicale positie in en stapt ze af van haar restrictieve rechtspraak.
In dat arrest stelt het Hof vast dat alinea 3 van het artikel 333 WIB92 betrekking heeft op de onderzoekingen voorzien door hoofdstuk III van titel VII van het WIB92. Deze bepalingen hebben echter zowel betrekking op de onderzoekingen die werden uitgevoerd bij de belastingplichtige zelf als op deze die bij een derde worden uitgevoerd of ook nog in een overheidsdienst, -instelling of -instantie.
Het Hof besluit dus dat, indien de voorgenomen onderzoekingen tijdens de aanvullende termijn betrekking hebben op de situatie van een belastingplichtige, de administratie hem voorafgaand moeten kennis geven van de aanwijzingen van belastingontduiking ten aanzien van hem, “wie ook de persoon is bij wie de onderzoekingen moeten uitgevoerd worden”.
Naar aanleiding van dit nieuwe arrest is de administratie nu verplicht, op straffe van nietigheid van de belasting, om de belastingplichtige voorafgaand kennis te geven van de aanwijzingen van belastingontduiking en dit telkens zij van plan is om tot onderzoek over te gaan tijdens de aanvullende termijn van vier jaar, ongeacht de plaats waar dit onderzoek zal uitgevoerd worden.

Nieuw fiscaal kader voor de deeleconomie : tarief verlaagd tot 10% voor de inkomsten die 5.000 euro per jaar niet overschrijden

De deeleconomie is in volle ontwikkeling. Particulieren leveren meer en meer diensten via applicaties en digitale platformen (Menu Next Door, Take Eat Easy, Listminut, Uber, AirBsit, etc.), gaande van het bereiden van « afhaal » maaltijden die bereid worden door een buur over babysitten, tot carpoolen.

Het huidige belastingstelsel is echter niet aangepast aan deze nieuwe economie. Tot op vandaag bevond de deeleconomie zich in een grijze zone die grotendeels aan het oog van de Belgische fiscus ontsnapte. In principe waren de occasionele dienstverleners verplicht om de inkomsten die zij uit hun occasionele activiteit haalden, aan te geven als « diverse inkomsten », belast tegen het tarief van 33%. Weinig belastingplichtigen die, bijvoorbeeld, babysitten voor kinderen (AirBsit) of kookten voor hun buren (Menu Next Door), gaven deze inkomsten in hun belastingaangifte aan.

Vandaar het idee om een aangepast belastingstelsel in te voeren voor inkomsten die gegenereerd worden in het kader van deze zogenaamde « deel » activiteiten.

Op 13 mei jongstleden heeft de regering haar voorontwerp van wet neergelegd waarmee een fiscaal kader wordt gegeven aan de deeleconomie die bestaat uit een lagere belasting die ingehouden wordt aan de bron door de start-ups zelf.

Het doel dat nagestreefd wordt, is dubbel. Enerzijds is het gericht op het invoeren van een aangepast en transparant belastingstelsel dat het mogelijk maakt om deze nieuwe deelactiviteiten te omkaderen, en anderzijds, om het voor iedereen mogelijk te maken een kleine bijkomende activiteit uit te oefenen en zich aan het ondernemerschap te wagen. De deeleconomie biedt een echte drijfkracht voor de democratisering. Voor de dienstverlener betekent de deeleconomie een gemakkelijke en weinig risicovolle manier om zich in een nieuwe activiteit te storten: ze vereist geen startkapitaal en houdt weinig risico’s in.

Voordelig belastingstelsel : belasting van de « deel » inkomsten tegen een tarief van 10%

Het ontwerp voorziet om deze « deel » inkomsten via een inhouding aan de bron te belasten tegen een tarief van 10% voor wat betreft de inkomsten die de drempel van 5.000 euro per jaar niet overschrijden. De sites van deeleconomie zullen zelf deze 10% op de per activiteit gegenereerde inkomsten inhouden en zullen deze belasting aan de fiscus verschuldigd zijn. Deze onlineplatformen zullen daarentegen het voorwerp moeten uitmaken van een voorafgaande erkenning en zullen geen contante betalingen tussen particulieren meer mogen aanvaarden.

Bijgevolg zullen alle betalingen die in het kader van de deeleconomie werden uitgevoerd, traceerbaar zijn, gezien dat alle transacties elektronisch zullen worden uitgevoerd.

Deze nieuwe belasting vraagt dus een verbintenis vanwege de verantwoordelijken van de deelplatformen om alle gegevens aan de fiscus over te maken.

Bovendien wordt voorzien dat de personen die minder dan 5.000 euro verdienen aan hun activiteiten in de deeleconomie zich niet moeten registreren als zelfstandige en dus niet onderworpen zullen zijn aan sociale bijdragen. Deze personen zullen zich ook niet moeten inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Zij moeten ook geen ondernemingsnummer hebben (niet-onderworpen aan de BTW) noch een klantenlisting bijhouden.

Indien de activiteit zou groeien en dat de inkomsten de drempel van 5.000 euro zouden overschrijden, zullen de gegenereerde inkomsten niet langer van het voordelig belastingstelsel kunnen genieten en zullen ze als « beroepsinkomsten » belast worden.

Ten slotte is dit stelsel uitsluitend bestemd voor particulieren en kunnen de dienstverleners voor wie het de hoofdactiviteit is er niet van genieten. De zelfstandigen die actief zijn in één domein (bijvoorbeeld de horeca) en die ook een gelijkaardige activiteit zouden willen uitoefenen « ten occasionele titel » via een participatieplatform zullen niet van dit gunstig belastingstelsel genieten.

De nieuwe fiscale bepalingen zullen in principe van toepassing zijn op de inkomsten die worden gegenereerd vanaf 1 juli 2016. Indien het wetgevend proces verloopt zoals voorzien, zal België het tweede land zijn in Europa met een systeem dat aangepast is aan deze deeleconomie. Ze zal echter de eerste zijn om een systeem voor te stellen van inhouding aan de bron voor dit type van activiteit.

Een belastingplichtige mag zijn belastingaangifte verbeteren wanneer deze fouten bevat

Regelmatig wijzen we op het feit dat het fiscaal recht een materie van openbare orde is. Dit betekent dat niemand er mag van afwijken en dat de wet in al zijn facetten moet worden toegepast wanneer aan de toepassingsvoorwaarden voldaan is. Dat is bijvoorbeeld de reden waarom een feitenrechter er nooit toe gehouden is om een akkoord te bekrachtigen dat afgesloten werd tussen de administratie en een belastingplichtige wanneer hij van oordeel is dat dit akkoord strijdig is met de wet.

Bij vonnis van 21 mei 2015 heeft de rechtbank van eerste aanleg van Namen duidelijk een ander gevolg bevestigd van het feit dat het fiscaal recht van openbare orde is: een belastingplichtige is niet onherroepelijk gebonden door de fouten die in zijn aangifte zouden geslopen zijn.

In dit geval, had een bedrijf in toepassing van een tax shelter overeenkomst de vrijstelling gevraagd van 150% van de storting die werd uitgevoerd met het oog op de verwerving van rechten in filmproducties.

Deze vrijstelling werd door de administratie geweigerd omwille van het feit dat het bedrag van die storting niet correct werd geboekt op een afzonderlijke rekening van het passief, zoals dit nochtans vereist is door de wetgeving betreffende de tax shelter. Er werd derhalve een bericht van wijziging gestuurd naar het bedrijf.

Naar aanleiding van dit bericht van wijziging besliste het bedrijf om een nieuwe algemene vergadering bijeen te roepen teneinde de nieuwe jaarrekeningen goed te keuren die, deze keer, correct werden opgesteld.

De administratie weigerde rekening te houden met deze nieuwe boekhouding. Het geschil werd voor de rechtbank gebracht die dus de belastingplichtige in het gelijk heeft gesteld, omdat ze van oordeel was dat alle fouten in de aangifte, of ze nu materieel, feitelijk of juridisch zijn, door de belastingplichtige mochten ingeroepen worden om de reëel verschuldigde belasting te kunnen vaststellen.

Deze beslissing heeft als verdienste om er aan te herinneren dat de missie van de administratie er niet in bestaat om de hoogst mogelijke belasting te heffen, maar wel om de wettelijk verschuldigde belasting te heffen op grond van de feitelijke omstandigheden.

Hoe moet een vergoeding waartoe besloten werd, maar waarvan het bedrag nog niet werd vastgelegd, in mindering worden gebracht ?

Mag men een provisie in mindering brengen die werd aangelegd om de bezoldiging van de zaakvoerder te betalen en waarvan de berekeningsmethodes reeds werden bepaald, maar waarvan het bedrag nog niet definitief werd vastgelegd?

Dit is een vraag die recent aan de rechtbank van eerste aanleg van Brussel werd voorgelegd.

In dit geval had een bedrijf met zijn zaakvoerder een addendum afgesloten aan een overeenkomst van “vooraf verdiende vergoeding” (een vergoeding die verschuldigd is, maar nog niet werd toegekend), waarin werd voorzien dat de verbintenis, voor het boekjaar dat per 30 juni 2009 zou afgesloten worden, zou bestaan uit een forfaitair bedrag van 105.000€ vermeerderd met 7,5% van het omzetcijfer van het boekjaar. Dit addendum vermelde dat deze bedragen werden toegekend om de inspanningen die door de zaakvoerder werden geleverd tijdens het boekjaar en die tot het behalen van een uitzonderlijk resultaat hadden geleid, te compenseren.

Er werd een provisie voor risico’s en kosten aangelegd voor het bedrag dat betwist wordt en dat door het bedrijf werd aangegeven als een provisie die vrijgesteld is op grond van artikel 48 van het WIB.

De belastingdienst stelde echter dat de forfaitaire verhoging van 105.000€ gelinkt was aan het uitzonderlijke resultaat dat werd behaald tijdens het boekjaar en dat de aangelegde provisie dus fiscaal gezien niet kon worden vrijgesteld op grond van artikel 48 WIB. Op die basis heeft zij het betwiste bedrag belast uit hoofde van overwaardering van het passief.

In eerste instantie voerde het bedrijf twee argumenten aan. In hoofdzaak riep zij het element in dat het betwiste bedrag van 105.000€ onmiddellijk de hoedanigheid van zekere en vaststaande schuld had aangenomen et dat het zo aftrekbaar was op grond van de artikelen 49 en 195 van het WIB uit hoofde van beroepskosten.

Subsidiair riep zij in dat het boeken van dit bedrag in de provisies voor risico’s en kosten in ieder geval geen miskenning inhield van het principe volgens hetwelk deze provisies systematisch moeten aangelegd worden en afhankelijk kunnen zijn van het resultaat van het boekjaar.

Deze argumentatie zal volledig door de rechtbank gevolgd worden die een volstrekt pragmatisch standpunt zal innemen. De rechtbank zal inderdaad beslissen dat ongeacht de kwalificatie die aan de schuld wordt gegeven, deze niet als overwaardering van het belastbaar passief als zodanig kan beschouwd worden.

Volgens de rechtbank moet ofwel het bedrag beschouwd worden als afkomstig van beroepsinkomsten omdat het onmiddellijk de hoedanigheid van zekere en vaststaande schuld heeft aangenomen. De boeking onder provisie is dus fout en de voorwaarde van onafhankelijkheid van het resultaat van het boekjaar is niet van toepassing. Het betwiste bedrag kan dus bijgevolg niet worden beschouwd alse en overwaardering van het passief.

Ofwel moest het betwiste bedrag effectief geboekt worden in de provisies voor risico’s en kosten. In dat geval was enkel de bijkomende verbintenis van vooraf verdiende vergoeding – zijnde de 7,5% van het omzetcijfer van het boekjaar – effectief verbonden met het resultaat, met de verhoging van de provisierekening voor risico’s en kosten wel verbonden aan de verhoging van de verbintenis en niet direct aan het resultaat van het boekjaar. In die hypothese werd dus ook de belasting van het betwiste bedrag uit hoofde van overwaardering van het passief niet gerechtvaardigd.
.
Deze motivering is zeer verrassend. We zouden inderdaad verwachten dat de rechtbank een standpunt zou innemen over de kwalification die aan de schuld moet gegeven worden : beroepskost of provisie voor risico’s en kosten.

Wij zijn van mening dat de berekeningswijze dus werd vastgelegd en dat de zaakvoerder een niet te betwisten recht had verworven op deze vergoeding die als beroepskost moest gekwalificeerd worden. Doordat er voorts aan de voorwaarden voor aftrek voorzien in artikel 49 werd voldaan, was er niks meer dat de aftrek van de betwiste sommen hinderde.

Dit vonnis kan echter van belang zijn voor de belastingplichtige aangezien het een restrictieve interpretatie van de voorwaarde van onafhankelijkheid van het resultaat van het boekjaar bevordert. De rechtbank lijkt inderdaad te stellen dat een bedrag dat forfaitair werd bepaald niet mag beschouwd worden als direct gelinkt aan het resultaat van het boekjaar ook als deze slechts wordt toegekend omwille van goede resultaten die worden vastgesteld voor het betrokken boekjaar.

Waals Gewest: het tarief van registratierechten mag oplopen tot 15% !

Het Waals Gewest heeft nieuwe begrotingsmaatregelen genomen die gevolgen hebben op vlak van fiscaal recht. Eén van die maatregelen betreft de verhoging van het verkooprecht.

Krachtens artikel 44 van het Wetboek van registratierechten dat van toepassing is in het Waals Gewest is het registratierecht op de overdracht ten bezwarende titel van onroerende goederen in principe 12,5%.

Met een decreet van 17 december 2015 betreffende de uitgavenbegroting van het Waals Gewest voor het begrotingsjaar 2016, heeft het Gewest de aanslagvoet opgetrokken van 12,5% naar 15% wanneer de belastingplichtige een derde woning aankoopt.

Er moeten een aantal voorwaarden vervuld zijn opdat deze nieuwe aanslagvoet van toepassing zou zijn.

Het moet weldegelijk gaan om een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk bestemd is voor bewoning. Bovendien moet de aankoper, op de dag van de verkoop, de ruil of van elke overeenkomst tot overdracht ten bezwarende titel of vruchtgebruik met betrekking tot dit onroerend goed, de totaliteit of ten minste 33% van ten minste twee andere woningen in volle eigendom of in vruchtgebruik bezitten.

De toepassing van de aanslagvoet van 12,5% is voortaan onderworpen aan een gecertifieerde en ondertekende verklaring die expliciet vermeldt dat de aankoper geen eigenaar is van de totaliteit of ten minste 33% van ten minste twee andere woningen in volle eigendom of in vruchtgebruik, die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor bewoning en in België of in het buitenland gelegen zijn.

Bij gebrek aan dergelijke verklaring of in geval van onjuiste verklaring, wordt de overeenkomst geregistreerd aan de aanslagvoet van 15% en zal er een boete verschuldigd zijn gelijk aan de ontdoken rechten.

Onder « woning » moet verstaan worden het gebouw of een deel van het gebouw, meer bepaald de eengezinswoning of het appartement, dat, door haar aard, bestemd is om bewoond te worden door een gezin of die als zodanig wordt gebruikt. De toepassing van de aanslagvoet van 15% kan vermeden worden als de aankoper werkelijk de gebouwen die aan hem toebehoorden per authentieke akte heeft overgedragen en dit ten laatste binnen de twaalf maanden vanaf de datum van de authentieke aankoopakte van het derde gebouw.

Deze hervorming is van toepassing op overeenkomsten van overdracht ten bezwarende titel van gebouwen die ondertekend zijn na 1 januari 2016.

Deze maatregelen is een nieuwe aanval op het eigendomsrecht. Het is jammer dat het Gewest gunstige maatregelen, zoals de verlaging van de schenkingsrechten op gebouwen, teniet doet door een verhoging van de registratierechten die een wereldrecord lijken te halen.

Deze maatregel lijkt een bijkomende reden te zijn om beroep te doen op een vastgoedvennootschap voor de aankoop van goederen.

Wanneer kan een vrijstelling van onroerende voorheffing bekomen worden voor onproductiviteit?

Krachtens de artikelen 15, § 1ste en 257, 4° van het Wetboek van inkomstenbelastingen, kan de onroerende voorheffing op vraag van de belastingplichtige verminderd worden pro rata de duur en de omvang van leegstand, de inactiviteit of de onproductiviteit van een onroerend goed, meer bepaald wanneer dit niet gemeubileerd gebouwd onroerend goed, gedurende ten minste 90 dagen tijdens het jaar niet in gebruik werd genomen en geen inkomsten heeft opgebracht.

Meermaals werd deze vraag aan de hoven en rechtbanken, met name de Gentse, voorgelegd en hebben zij een standpunt hieromtrent ingenomen.

In een arrest van 10 maart 2015 heeft het Hof van beroep van Gent de redenering die zij voordien reeds in een arrest van 13 januari 2015 had geformuleerd, bevestigd. (was het voorwerp van een reactie in het tijdschrift van december 2015).

In dit geval eiste de belastingplichtige de proportionele vermindering van de onroerende voorheffing. Het betwiste gebouw was een opslagplaats van grote oppervlakte. Het gebouw lijkt gedurende het ganse jaar 2011 te hebben leeg gestaan. De belastingplichtige legde het bewijs van leegstand en onproductiviteit voor aan de hand van stavingsdocumenten.

De administratie liet gelden dat het onroerend goed opgenomen was in de economische activiteit van de belastingplichtige, een activiteit die enkel bestaat uit de handel en verhuring van onroerende goederen. Zij leidde daar uit af dat het om een vorm van gebruik van het goed gaat. Bovendien had zij opgeworpen dat een goed dat tijdelijk niet verhuurd wordt, moet beschouwd worden als zijnde een deel van de normale risico’s voor de belastingplichtige die een dergelijke activiteit uitoefent en dat er bijgevolg geen onproductiviteit was in de zin van artikel 15 van het Wetboek. In een arrest van 15 maart 2013 werd dit standpunt door het Hof van Cassatie veroordeeld.

Het Hof van beroep herhaalde het principe volgens welk het aan de belastingplichtige is die een vrijstelling inroept en dus een uitzondering op het belastingprincipe inroept, om te bewijzen dat hij onder de voorwaarden valt om ervan te genieten.

Het Hof besluit dat de onproductiviteit van het onroerend goed niet afhankelijk is van de wil van de geïntimeerde voor de helft van het betrokken jaar. Ze werpt inderdaad de verschillende inspanningen op die de belastingplichtige geleverd heeft om te proberen het onroerend goed opnieuw te verhuren en veroordeelde zo het strenge standpunt van de administratie.

Op die manier herinnert het Hof van beroep terecht aan het belang van het bewijs in dergelijke geschillen. Krachtens de theorie van de genererende elementen, is het aan de belastingplichtige die wenst te genieten van een vermindering of zelfs vrijstelling van voorheffing, om aan te tonen dat alle wettelijke voorwaarden vervuld zijn en moet hij bijgevolg zorgen voor alle stavende bewijsstukken die de inspanningen aantonen die werden gedaan om het goed productief te maken. Dit bewijs is voldoende: de fiscus mag geen voorwaarden toevoegen aan deze die door de wet voorzien zijn, noch het genot van deze voorwaarden ontzeggen aan ondernemingen die een vastgoedactiviteit uitoefenen, als de wet zelf dit niet doet.