Auteur: Pascale Hautfenne

De DVB valideert een levensverzekeringsovereenkomst “laatst stervende”

Recent heeft de Dienst Voorafgaande Beslissingen bevestigd dat artikel 8 van het Wetboek van Successierechten niet van toepassing was op het ogenblik van het eerste overlijden in geval van levensverzekeringsovereenkomst in mede-onderschrijving “laatst stervende“.

Echtgenoten, gehuwden onder het stelsel van scheiding van goederen, inwoners van het Brussels Gewest, overwegen om een tweede levensverzekeringsovereenkomst af te sluiten van het type “laatst stervende“:

– Verzekeringsnemers: De heer en Mevrouw.

– Verzekerden : De heer en Mevrouw.

– Begunstigden in geval van leven : De heer en Mevrouw.

– Begunstigden in geval van overlijden : Bij het overlijden van de tweede verzekerde, in gelijke delen naar de drie kinderen; in geval van overlijden van één van de begunstigden, voor de overlevende begunstigden pro rata hun respectievelijk aandeel.

Het principe van deze structurering is dat het kapitaal bij overlijden pas vereffend wordt wanneer de twee verzekerden overleden zullen zijn. De bijzondere voorwaarden van de overeenkomsten bepalen in die zin dat het kapitaal in geval van overlijden wordt betaald bij het overlijden van de tweede overlevende verzekerde.

De aanvraag betrof meerdere vragen waarvan één bijzonder interessant is inzake de planning tussen echtgenoten:

De eisers hebben de bevestiging gevraagd dat het overlijden van de eerste mede-onderschrijver enkel leidt tot de omvorming van onverdeelde rechten in uitsluitende rechten. Met andere woorden, wanneer er maar één verzekeringsnemer meer overblijft, zullen de rechten door hem op uitsluitende manier uitvoerbaar zijn. Deze omvorming van onverdeelde rechten in uitsluitende rechten houdt geen overdracht in van waarden in de zin van artikel 8 W.Succ..

Bijgevolg werd aan de DVB gevraagd om te bevestigen dat geen enkel successierecht zal worden aangerekend bij het overlijden van de eerste echtgenoot.

Het kapitaal in geval van overlijden zal inderdaad pas betaald worden bij het overlijden van de tweede overlevende verzekerde, waarbij de verzekeringspolis dus pas zal ontbonden worden bij het overlijden van de tweede verzekerde.

De bedoeling van de echtgenoten bij het afsluiten van die levensverzekeringsovereenkomst was, voor elk van hen, om zich te beschermen in geval van overlijden van de andere echtgenoot, en ervoor te zorgen dat de kinderen en stiefkinderen pas bij het overlijden van de overlevende echtgenoot zouden kunnen genieten van de kapitalen van het contract. Het is pas bij het overlijden van de overlevende echtgenoot dat dit vermogen zal toekomen aan de kinderen en de stiefkinderen.

Wat betreft de eventuele toepassing van artikel 8 W.Succ., is het belangrijk om te weten of de rechten en verplichtingen die overgedragen worden aan de overlevende weldegelijk “waarden” zijn in de zin van dit artikel.

De DVB heeft op een zeer interessante manier verduidelijkt dat artikel 8 W.Succ. een fictie instelt en restrictief moet geïnterpreteerd worden en geen enkele definitie van de notie “waarde” inhoudt. Men heeft dus in principe toe dat deze notie aandeleneffecten of obligaties inhoudt. De overdracht van rechten en verplichtingen van een levensverzekeringsovereenkomst (anders gezegd, de overdracht van het houderschap van de levensverzekeringsovereenkomst) komt niet overeen met het concept van “waarde”.

De DVB stelt vast dat bij het overlijden van de eerst stervende, de overlevende bepaalde rechten krijgt, maar deze komen niet overeen met “waarden” in de zin van artikel 8, 1e W.Succ..

De DVB besluit daaruit dat de toepassing van artikel 8 W.Succ. moet uitgebreid worden voor wat betreft de overdracht van het geheel van rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de levensverzekeringsovereenkomst naar de tweede verzekerde toe.

Dit is een belangrijke beslissing want de techniek van de mede-ondertekening van een levensverzekeringsovereenkomst “laatst stervende” is een sterk opkomend en efficiënt mechanisme van vermogens- en familieplanning.

We hebben vandaag de bevestiging, voor Brussel en het Waals Gewest in ieder geval, dat geen enkel successierecht verschuldigd is bij het eerste overlijden.

Enkele verduidelijkingen betreffende de belasting op de effectenrekeningen

Het doel van de wet is een belasting in te voeren op de effectenrekeningen die zowel in België als in het buitenland worden gehouden door natuurlijke personen, voor wat betreft de inwoners van het Koninkrijk en enkel in België, voor wat betreft de niet-inwoners, en waarvoor het aandeel in de totale gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten gelijk of hoger is dan 500.000 euro.

Deze belasting werd ingevoerd “met als doel een correctere fiscale politiek te voeren”, het betreft dus enkel het aandeel van de houder in één of meerdere effectenrekeningen waarvan de gemiddelde waarde gelijk of hoger is dan 500.000 euro, met uitzondering van het aandeel in de gemiddelde waarde dat gehouden wordt in het kader van een levensverzekering of een pensioenspaarplan.

Dit om te voorkomen dat de burger die een aanvullend pensioenstelsel op zijn wettelijk pensioen heeft afgesloten negatieve gevolgen ondervindt door de invoering van deze belasting.

De limiet van 500.000 euro werd vooropgesteld zodat enkel de grotere vermogens zouden belast worden. Deze limiet werd “ruim” genomen aangezien er momenteel geen vermogenskadaster bestaat op basis van dewelke men zich zou kunnen baseren om een limiet te bepalen vanaf welk een vermogen “groter” is.

De uiteenzetting van de motieven stelt dat deze limiet niet willekeurig werd bepaald, maar rekening houdt met het doel van een correcte belasting in verband met het budgettaire rendement. De belasting wordt geïnd op het totale bedrag van de gemiddelde waarde vanaf het ogenblik dat deze waarde gelijk of hoger is dan 500.000 euro.

Het principe van deze belasting is dat de aangifte en de betaling van de belasting van 0,15% wordt gegarandeerd door een Belgisch tussenpersoon voor rekening van de houder indien het aandeel dat de houder heeft in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten op de effectenrekeningen gehouden bij deze Belgische tussenpersoon 500.000 euro of meer bedragen.

In verband met dit principe is er een optie voorzien voor de houder om zijn situatie aan te geven (wat elektronisch kan gebeuren), voor de inhouding van de belasting bij de Belgische tussenpersonen wanneer een houder meerdere effectenrekeningen heeft bij verschillende Belgische tussenpersonen en hij vermoedt dat zijn aandeel in de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten 500.000 euro of meer waard is. Het is pas als de houder niet gevraagd heeft dat de inhouding door de tussenpersoon gebeurt dat de houder zelf verantwoordelijk is voor de aangifte en de betaling van de belasting.

Op het ogenblik dat deze tekst geschreven wordt, is de wet nog niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is deze dus nog niet van kracht.

We zullen ons nog herinneren dat de Raad van State bijzonder kritisch was over verschillende aspecten van het wetsontwerp voor wat betreft het gelijkheidsprincipe.

We herinneren ons ook dat, vanaf de publicatie van de wet, iedere persoon met een gerechtvaardigd belang een verzoek tot nietigverklaring kan neerleggen bij het Grondwettelijk Hof.

Renovatie en btw aan verlaagd tarief: bestemming tot bewoning na de werken is voldoende voor het Hof van Cassatie

Onlangs heeft het Hof van Cassatie een arrest geveld die een einde heeft gemaakt aan een rechtspraak die weinig conform was met het btw-wetboek en met de rechtszekerheid.

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 stelt dat de belasting tegen een verlaagd tarief van 6% wordt geïnd op de goederen en diensten die opgesomd zijn in tabel A van de bijlage aan dit besluit.

Tabel A, XXXI, §1, betreft de onroerende werken die uitgevoerd worden aan privéwoningen, hij stelt in het bijzonder de volgende voorwaarde om van het verlaagd tarief te genieten: “de handelingen moeten uitgevoerd worden aan een gebouw bestemd voor bewoning dat, nadat de werken werden uitgevoerd, effectief ofwel enkel ofwel voornamelijk als privéwoonst wordt gebruikt.”

Een administratieve omzendbrief van 1986 herhaalt en verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden van het verlaagd tarief. Ze verduidelijkt meer bepaald dat de handelingen “moeten uitgevoerd worden aan een gebouw bestemd voor bewoning waarvan de eerste bewoning reeds dateert van ten minste twintig jaar geleden en die, na de uitvoering van de werken, effectief ofwel enkel ofwel voornamelijk als privéwoonst wordt gebruikt” (Omzendbrief nr. 6 van 22/08/1986).

Het gebeurt vaak dat een oud industrieel gebouw gerenoveerd wordt en opgesplitst wordt in individuele loten (lofts) die daarna worden verkocht.

De administratieve omzendbrief 86/006 van 22 augustus 1986 stelt hieromtrent:

“38. De toepassing van het verlaagd tarief is, in principe, beperkt tot de in de eerste afdeling beoogde handelingen die betrekking hebben op gebouwen, die in ieder geval na de uitvoering van die handelingen (cf. nr. 39) gebouwen zijn aangewend om te worden bewoond, en dit in tegenstelling tot de gebouwen die daarvoor niet worden gebruikt”.

En punt 39 stelt:De voorwaarde van de aanpassing van het gebouw aan zijn bestemming van privé­woning moet op zijn minst voldaan zijn na uitvoering der werken, maar het is niet vereist dat het gebouw reeds aan deze bestemming aangepast was vóór deze uitvoering. Het verlaagd tarief is bijgevolg toepasselijk, voor zover alle overige voorwaarden vervuld zijn, op de omvorming van een kantoorgebouw in een appartementsgebouw.

De tekst van de omzendbrief is dus zeer duidelijk, net zoals de tekst van het koninklijk besluit die handelt over het gebruik als privéwoonst na de uitvoering van de werken.

Gedurende vele jaren hebben de minister van financiën en zijn administratie (met inbegrip van de dienst voorafgaande beslissingen) deze interpretatie gevolgd, die het mogelijk maakte om een kantoor of industrieel gebouw om te vormen tot woning, met de toepassing van de btw aan 6%.

In 2010 was het Hof van Beroep van Luik echter van mening dat het goed reeds voor de renovatiewerken moest gebruikt worden als woning, en niet enkel daarna, dit in tegenstelling tot de tekst zelf van het koninklijk besluit en in tegenstelling tot het reeds lang ingenomen administratief standpunt.

Deze rechtspraak werd daarna door vele rechtsmachten gevolgd en de administratie profiteerde ervan om haar standpunt te veranderen en terug te komen op haar omzendbrief van 1986 door een bestemming tot bewoning voor de werken te eisen om het tarief van 6% toe te kennen.

Dit met volledige schending van:

– enerzijds, de tekst van het koninklijk besluit zelf die een bestemming na de uitvoering van de werken eist;

– anderzijds, van het recht op rechtszekerheid waarvan elke Belgische staatsburger geniet krachtens de Grondwet en de internationale verdragen …

Gelukkig heeft het Hof van Cassatie zopas de situatie opgehelderd: in een arrest van 27 maart 2015 verbreekt ze het arrest van het Hof van Beroep van Gent die de toepassing van het verlaagd tarief weigerde omwille van de niet-bestemming van het goed voor bewoning voor de realisatie van de werken.

Het Hof van Cassatie beperkt zich tot het vaststellen dat het koninklijk besluit als voorwaarde stelt dat er een bestemming tot bewoning is na de werken et dat er dus geen sprake kan zijn van het niet toekennen van het verlaagd tarief omwille van de niet-bestemming voorafgaandelijk aan de werken.

Dit is een goede ontwikkeling die welkom is in dit domein waar sinds vele jaren een grote rechtsonzekerheid heerst.